dikke dreumerd

Ik wil u niet lastig vallen met mijn dromen, maar deze is te bijzonder om u te onthouden. Het is niet zo dat ik mij schaar bij diegenen die blijkbaar overtuigend met bomen kunnen praten. Er zelfs personen in herkennen. Daar geloof ik echt niet in, maar zo’n geloof tot werkelijkheid te dromen is wakker alleszins te accepteren.
Vannacht droomde ik opnieuw over een schilder in zijn landschap. In zijn pogen om alle blijheden die hij ziet en voelt weer te geven, vergroeit zijn lijf met het schilderij, de ezel en het krukje. Deze rusteloze schepper gaat ‘en plein air’ zo op in het landschap, dat hij, het doek en de verf samensmelten tot een prachtig lichtend kunstwerk: een werkelijk monument – en ik de dromer, weet vannacht precies waarvoor.

Zitten, liggen of lopen in dit landschap met bomen, bomen in rijen op heuveltjes. De houtwallen. Het lijkt een liefelijk tafereel vol romantiek, maar hier bedriegt de schijn. Deze wallen zijn eens vervolgd en rusten nu uit. Zij zijn gespaard gebleven, waar de meesten werden geslecht en geveld in een woelige verkavelstrijd. Deze wallen met hun oorsprong in het boeren van weleer werden jaren geleden verjaagd door de moderne landbouw. Deze zag ze als obstakels en bulldozerde lustig in ze op. Ik droom nu deze oorlog als een moordpartij op het landschap. En droom hoe fout ik was, toen ik zo rond 1960 het wapengekletter bejubelde: de ronkende draglines, drainageleggers en dumpers, die de bochten in de loopies dempten door er simpel de wallegies in te schuiven. ’t Loopie was voortaan een kaarsrechte sloot en ik lachte, danste en collaboreerde met de boeren in mijn Drentse dorp. Deze toenmalige heiligen van de vooruitgang, waar ik zo tegenop keek.

Hoe kan het toch, dat je diegene, die je ooit geweest bent, zelf zo moeilijk herkent, zelfs in je dromen?

Share